Lesafsluiting
Directe Instructie

In een les volgens het directe instructiemodel wordt onderscheid gemaakt tussen de kleine en grote lesafsluiting. De kleine lesafsluiting vindt plaats vóór de zelfstandige verwerking en de grote bevindt zich helemaal aan het eind van de les, ná de zelfstandige verwerking.

 

Kleine lesafsluiting

De begeleide inoefening gaat vloeiend over in de volgende fase, namelijk de kleine lesafsluiting. Deze bevindt zich vóór de zelfstandige verwerking, omdat je zeker wilt weten dat alle leerlingen de leerstof begrijpen voordat je de hen zelfstandig laat verwerken.
 

Tijdens de begeleide inoefening werken de leerlingen veel voorbeelden uit samen met jou of met hun schoudermaatje. Ze krijgen feedback en mogen veel overleggen. Als je het gevoel hebt dat de meest leerlingen de leerstof begrijpen, dan zet je een laatste voorbeeld op het bord. De leerlingen moeten dit zelfstandig oplossen op hun wisbordje. Ze mogen niet overleggen of kijken bij een ander.
Als ze klaar zijn, dan leggen ze het wisbordje op de kop op de tafel. Je kunt dan eenvoudig zien wie er snel zijn en wie er nog meer tijd nodig hebben. Kijk goed rond en maak eventueel aantekeningen.
Als iedereen klaar is, dan laat je de leerlingen hun wisbordje gelijktijdig omhoog houden en zie je in één oogopslag of de leerlingen in staat zijn om zelfstandig verder te werken. De vuistregel hierbij is dat minimaal 80% van de leerlingen goed moet kunnen antwoorden. De leerlingen die het nog niet goed lukt, laat je aanschuiven bij je verlengde instructie.
Als minder dan 80% goed kan antwoorden, dan moet je méér voorbeelden uitwerken samen met de leerlingen of opnieuw instructie geven. Als je leerlingen zelfstandig verder laat werken zonder dat zij de leerstof goed begrijpen, dan bestaat het gevaar dat fouten inslijpen.
 

Voor een goede beheersing van het lesdoel moeten de leerlingen het concept goed kunnen uitleggen, de vaardigheid correct kunnen uitvoeren en kunnen vertellen wat het belang van het lesdoel is.
 

Grote lesafsluiting
De grote lesafsluiting vindt plaats aan het eind van de les, dus na de zelfstandige verwerking. Hierbij controleer je niet alleen of leerlingen de leerstof hebben begrepen, maar is er ook aandacht voor de werkhouding.
Bij de grote lesafsluiting kun je controleren of alle leerlingen zich het lesdoel eigen hebben gemaakt door gebruik te maken van een ‘doelenchecker’. Je geeft iedere leerling een post-it en laat rechtsboven de naam noteren. Hierna stel je drie vragen over de leerstof die in de les behandeld is.
Bij bijvoorbeeld het lesdoel ‘Ik kan halve uren zetten op de digitale klok’ laat je de leerlingen drie tijden digitaal noteren: half één ‘s nachts, half tien ‘s ochtend en half twee ‘s middags. Ze moeten dit voor zichzelf doen. Na schooltijd kun je snel controleren of alle leerlingen het lesdoel hebben behaald.
Je maakt drie stapels: alles goed, twee goed, één/geen goed. Je maakt op basis hiervan een indeling: sterk, basis, zwak en weet meteen welke leerlingen morgen een extra instructie nodig hebben. Ook kun je aantekeningen maken en de volgende dag gerichte feedback geven tijdens het lopen van de hulpronde.
Het gebruik van een doelenchecker scheelt veel nakijkwerk, want je hoeft niet eindeloos veel schriften en werkboeken na te kijken. Je stelt drie doelgerichte vragen over de leerstof en hebt binnen enkele minuten in beeld hoe de leerlingen het hebben gedaan.
 

 Doelenchecker
 

Je kunt ook gebruik maken van een ‘leerbewijs’. Hierop noteren de leerlingen het lesdoel, de aanpakstrategie en maken ze enkele opdrachten. Leerlngen kunnen deze leerbewijzen verzamelen in een mapje of mee naar huis nemen. Op deze manier betrek je leerlingen en ouders actief bij de leerdoelen en kun je vroegtijdig signaleren en reageren als leerlingen moeite hebben met het behalen van de doelen.
 

 

 Leerbewijs

De doelenchecker en het leerbewijs zijn sterk gericht op het lesdoel, maar in de lesafsluiting is het ook goed om aandacht te besteden aan voorwaardelijke zaken zoals de eigen werkhouding en werksfeer in de klas. Je kunt bij de start van de les een aandachtspunt noemen waarop je tijdens de lesafsluiting terug komt. Hieronder staat een evaluatiekaart met suggesties voor aandachtspunten die je kunt gebruiken.
 

  Evaluatiekaart (Expertis.nl)

 

Focus op het lesdoel tijdens de gehele les

Het doel van de les is om het lesdoel te beheersen. Tijdens de les herhaal je daarom regelmatig het lesdoel. De leerlingen merken zodoende dat de instructie, begeleide inoefening en zelfstandige verwerking samenhangen met het lesdoel. De leerlingen zijn hierdoor niet gericht op het maken van werk, maar gericht op leren. Dit verhoogt de motivatie en betrokkenheid.

Behalve het gebruik van wisbordjes, zijn er nog andere manieren om leerlingen actief te betrekken bij de les en hen medeverantwoordelijk te maken voor het eigen leren. Je kunt bijvoorbeeld gebruik maken van een ‘begripsbord’ of een ‘checkstrook’.

Tijdens de zelfstandige verwerking mogen leerlingen hun naam op het bord zetten op het moment dat ze denken het lesdoel te beheersen. Hiermee stimuleer je hen om zelf na te denken over de mate van beheersing. We noemen dit het ‘begripsbord’.

 

 Het begripsbord (De Hunenborg, Hengelo)
 

Als je niet wilt dat leerlingen door de klas lopen, dan kun je hen ook een strook geven waarop ze met een wasknijper aangeven in hoeverre ze de leerstof begrijpen. We noemen dit de ‘checkstrook’.
Je vraagt tijdens de les enkele malen expliciet om de wasknijper te bevestigen en de strook hierna omhoog te houden. Hierdoor zien de leerlingen dat ze gedurende de les steeds meer het lesdoel beheersen. Het visualiseren van de mate van begrip is een sterke ondersteuning voor leerlingen met pdd-nos en adhd.

 

 De checkstrook (Kentalis, Utrecht)

 

Het gebruik van pictogrammen van lampjes geeft de mogelijkheid aan leerlingen om te verwoorden in welke mate zij de leerstof beheersen: ik snap het niet (mijn lampje is uit), ik snap het een beetje (mijn lampje knippert) of ik snap het goed (mijn lampje is aan).

 

  Lampjes (Sclera.be)

 

Zowel het begripsbord als de checkstrook en de lampjes stimuleren leerlingen om zelf na te denken over de mate van beheersing van het lesdoel, maar tegelijkertijd weet je als leerkracht niet zeker of ze dit ook daadwerkelijk beheersen. Stel dus altijd gerichte vragen over de onderwezen leerstof om zeker te zijn dat alle leerlingen het ook daadwerkelijk begrepen hebben.

 

 

© 2015 directeinstructie.nl

>>> Leerbewijs
>>> Evaluatiekaart