Instructie: de inhoud
Directe Instructie

 

Nadat je het lesdoel hebt geformuleerd, ontwerp je hierbij een expliciete directe instructie waarin het concept en de vaardigheid helder worden beschreven. Door het formuleren van een heldere betekeniszin bij het concept en duidelijke stappen bij de vaardigheid, realiseer je succeservaringen voor de leelringen.

 

 

Twee soorten leerstof

We onderscheiden twee soorten leerstof: procedures en feiten. Als leerlingen voor beheersing van het lesdoel een aantal vaste stappen moeten uitvoeren om tot een oplossing te komen, dan is het procedurele leerstof. Moeten ze vooral feiten en informatie onthouden, dan is het feitelijke leerstof.

 

 

Procedurele leerstof

Bij procedurele leerstof moeten leerlingen een aantal vaste stappen uitvoeren. Er wordt een aanpakstrategie aangeleerd die wordt gebruikt om tot een oplossing te komen. Procedurele leerstof bestaat uit stappenplannen of regels die moeten worden toegepast.

 

Voorbeelden:

· Ik kan de persoonsvorm in een zin bepalen.

· Ik kan het de gemiddelde snelheid van een voertuig berekenen.

· Ik kan met een balans bepalen welk voorwerp het zwaarst is.

· Ik kan ongelijknamige breuken bij elkaar optellen.’

 

Lesdoel: Ik kan de buurgetallen van getallen tot en met 10 bepalen.

 

Door drie vaste stappen toe te passen, komen leerlingen tot een juiste oplossing.

 

  Stappen bij de vaardigheid (Bron: Gynzy.com)

 

Een lesdoel bij procedurele leerstof bestaat uit een concept en een vaardigheid. Het concept is meestal het zelfstandig naamwoord in het lesdoel en wordt in een of twee zinnen omschreven. De vaardigheid is meestal het werkwoord in het lesdoel en bevat een aantal stappen.

 

 

 

Feitelijke leerstof

Bij feitelijke leerstof moeten leerlingen feiten en informatie onthouden. Feitelijke leerstof bestaat uit feiten, formules, afspraken, jaartallen, woordbetekenissen en parate kennis over verschillende onderwerpen die moeten worden gekend.

 

Voorbeelden:

· Ik kan de waarden van de Romeinse cijfers M, D, C, L, X, V en I aangeven.

· Ik kan belangrijkste kenmerken van de drie grote wereldgodsdiensten noemen.

· Ik ken de betekenis van de woorden: intensief, secuur, onbesuisd, frequent.

· Ik weet welke euromunten en –biljetten er zijn.

 

Bij feitelijke leerstof moeten leerlingen veel informatie verwerken. Leerlingen leren de informatie te ordenen en samen te vatten, waarna ze deze gericht en goed kunnen leren.

De leerlingen maken aantekeningen en samenvattingen. Hiervoor worden visuele schema’s gebruikt. Voorbeelden van visuale schema’s zijn: woordwebben, tabellen, diagrammen, stroomschema’s, enzovoort.

In een zaakvaktekst over vulkanen staat veel informatie die de leerlingen moeten leren. Door aantekekeningen te maken in een visueel schema wordt de leerstof beter onthouden.

 

Lesdoel: Ik kan kort en krachtig vertellen over vulkanen.

 

Door de informatie vast te leggen in een visueel schema, onthouden de leerlingen de leerstof beter. Ook hebben ze meteen een samenvatting van de les die ze gebruiken bij het leren voor de toets.

 


Visueel schema bij een les over vulkanen

 

Ook bij feitelijke leerstof bestaat het lesdoel uit een concept en een vaardigheid. De vaardigheid kan echter niet worden gevangen in een aantal vaste stappen, zoals bij procedurele leerstof.

Bij feitelijke leerstof bestaat de vaardigheid uit een grote hoeveelheid informatie. In bovenstaand voorbeeld is het concept ‘vulkanen’ en de vaardigheid is de grote hoeveelheid informatie rondom dit concept.
 

 

 

Je reikt de leerlingen een leeg visueel schema uit dat past bij de les die je gaat geven. Je toont dit schema ook op het bord en vult het tijdens de les samen met de leerlingen in. Stel regelmatig vragen om te controleren of iedereen de leerstof begrijpt en om deze goed in te slijpen. Leerlingen onthouden de leerstof beter als ze actief aantekeningen maken en deze moeten verwoorden tegen een schoudermaatje of de leerkracht.

 

 Leeg visueel schema

 

 

In plaats van het uitreiken van een leeg visueel schema, kun je ook een geheel leeg A4 uitreiken. Je maakt aantekeningen op het bord en laat de leerlingen deze overnemen. Gebruik naast woorden ook eenvoudige tekeningen om de leerstof nog duidelijker te maken.

 


Vrij visueel schema bij een les over de Nijl

 

 

Doe de eerste tekstgedeelten samen met de leerlingen: doe het voor op het bord en laat de aantekeningen letterlijk overnemen op het eigen schema. Draag hierna de verantwoordelijkheid over. Laat ze de volgende tekstgedeelten samen met een schoudermaatje doen. Bespreek dit plenair, laat goede voorbeelden zien, geef feedback. Hierna maken de leerlingen het schema zelfstandig af. Hierbij kun je uiteraard ook kiezen voor samenwerkende werkvormen.

 

 

Woordenschat
Ga moeilijke woorden niet uit de weg door ze te vervangen door eenvoudigere. Leg moeilijke woorden kort uit en herhaal ze veel gedurende je les. Laat de leerlingen ze ook actief gebruiken. Hiermee werk je aan het vergroten van de woordenschat. Een grote woordenschat heeft een positief effect op het begrip en het leren van de leerlingen.

Laat moeilijke woorden opschrijven, zodat leerlingen even kunnen spieken op het moment dat ze het woord niet meer weten. Door de woorden te laten noteren in een zogenoemd ‘woordenboekje’, kunnen ze deze na de les oefenen.

 

 Woordenboekje bij een les over vulkanen

 

 

 

 

© 2015 directeinstructie.nl

>>> Woordenboekje