Controleren van begrip

>>> Stapstenen voor het controleren van begrip

>>> Wisbordjes (ruitjes, lijntjes en blanco)

>>> Video: checking for understanding (TAPPLE)

 

In vrijwel iedere kijkwijzer of checklist volgens het directe instructiemodel staat aangegeven “De leerkracht controleert of de leerlingen de leerstof begrijpen” of “Monitoren van begrip”.  Maar hoe weet je nu echt zeker dat álle leerlingen je uitleg hebben begrepen? Gebruik hiervoor de stapstenen voor het controleren van begrip.

 

Tijdens een les volgens het directe instructiemodel geef je altijd eerst instructie voordat je vragen stelt aan je leerlingen. Het doel van het controleren van begrip is om te checken of je leerlingen begrijpen wat je hen zojuist hebt onderwezen. Als je vragen aan hen stelt voordat je instructie hebt gegeven, dan controleer je slechts welke voorkennis aanwezig is.

De sterke leerlingen zullen hun vinger opsteken. Je wilt echter dat alle leerlingen kunnen antwoorden en succeservaringen opdoen. Je wilt geen voorkennis checken, maar controleren of je de leerstof duidelijk genoeg hebt uitgelegd.

 

 

Nadat je instructie hebt gegeven, stel je vragen aan de leerlingen over de onderwezen leerstof. Je vraagt niet: “Is het voor iedereen duidelijk?”. Je stelt specifieke vragen over de leerstof en geeft opdrachten om uit te werken, zodat je zeker weet dat alle leerlingen begrijpen wat je hen hebt onderwezen.

 

 

 

Tijdens het controleren van begrip stel je de de vraag aan de klas als geheel. Hierna wacht je enkele seconden en geef je een leerling de beurt om te antwoorden. Door even te wachten, geef je leerlingen de kans om een goed antwoord te formuleren. Door de vraag aan de klas als geheel te stellen, zorg je dat iedereen nadenkt en niet enkel de leerling wiens naam je noemt. Je kunt leerlingen ook even kort laten overleggen met hun schoudermaatje voordat je een beurt geeft.

 

 

 

Als je alleen leerlingen de beurt geeft die hun vinger opsteken, dan controleer je het begrip van de sterke leerlingen in je klas. Zij steken namelijk altijd hun vinger op. Als je zeker wilt zijn dat álle leerlingen je instructie hebben begrepen, dan laat je geen vingers opsteken maar geef je willekeurig beurten.

Geef drie leerlingen de beurt. Op deze manier heb je een betrouwbare steekproef. Gebruik hiervoor een beurtenbakje met daarin alle namen van je leerlingen. Doe na de beurt de naam weer in het bakje.

 

 

Om te controleren of alle leerlingen je instructie hebben begrepen, gebruik je wisbordjes. Je stelt een controlevraag en laat alle leerlingen de vraag uitwerken op hun wisbordjes. Hierna vraag je hen deze omhoog te houden, zodat je in één oogopslag ziet in hoeverre ze de leerstof begrijpen.

 


 


 

Nadat je een leerling de beurt hebt gegeven om te antwoorden, luister je aandachtig naar het antwoord. Afhankelijk van de juistheid van het antwoord, bepaal je welke feedback je geeft. Is het antwoord goed, gedeeltelijk goed of helemaal fout? Goede feedback richt zich niet op het antwoord, maar op de aanpakstrategie van de leerling.

 

 

Afhankelijk van het antwoord van de leerling op je controlevraag, kies je welke feedback je geeft. Als het antwoord goed is, dan herhaal je dit hardop. Als het gedeeltelijk goed is, dan herformuleer je het antwoord en vul je het aan zodat het kloppend is. Als twee van de drie leerlingen een fout antwoord geven, dan keer je terug naar de eerste stapsteen: opnieuw instructie geven.


 

 

 

 

De pictogrammen zijn ontworpen door Sclera.be en vallen onder de cc-by-nc-licentie.

 

 

 

 

© 2015 directeinstructie.nl
Directe Instructie